Contact

Openingstijden werkdagen tussen 09:00 en 17:00 uur

Stel een vraag Stuur een idee in

Thema 1: Peilbeheer


Hoofdlijn van het peilbeheer in het veenweidegebied is dat we ons de eerste jaren in de gebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm gaan richten op het realiseren van een grondwaterstand van 40 cm onder het maaiveld. Met het peilbeheer kunnen we de grondwaterstand niet volledig sturen, we kunnen deze hooguit zo goed mogelijk beïnvloeden. In droge tijden willen we voorkomen dat de grondwaterstand te ver wegzakt en in natte perioden willen we voorkomen dat de grondwaterstand te hoog wordt. Het peilbeheer wordt gebaseerd op o.a. weersvoorspellingen en gemeten grondwaterstanden. We hanteren daarbij het principe ‘Hoger als het kan, lager als het moet’ (HAKLAM). We hebben de afgelopen jaren ervaren dat er bij droogte veel winst (landbouwkundig en CO2 reductie) te halen valt met hogere peilen. In een natte zomer zullen, om wateroverlast te voorkomen, de peilen juist wat lager gehouden worden. Deze bandbreedte in het peilbeheer, wordt vastgelegd in een peilbesluit. Er worden geen peilaanpassingen meer gedaan totdat het nieuwe peilbesluit is genomen dat gericht is op het zo goed mogelijk realiseren van een grondwaterstand van 40 cm.

Peilaanpassing is het aanpassen van het peil aan de opgetreden bodemdaling. Dit wordt vastgelegd in een peilbesluit.

In gebiedsprocessen zullen we de mogelijkheden met betrokken partijen in kaart brengen. Daarbij zoeken we samen met de grondeigenaren/gebruikers naar passende compensatie en/of andere oplossingen. Instrumenten zoals benoemd in hoofdstuk 5 zullen daarbij worden ingezet. Grondgebruikers die geconfronteerd gaan worden met veranderingen, zullen voldoende tijd moeten hebben om zich hierop voor te bereiden door bijv. hun bedrijfsvoering aan te passen.

Voor de rest van de veengebieden, de kleigronden met veen in de ondergrond, en de gebieden met een veenpakket dunner dan 80 cm, wordt in 2026 een besluit genomen over de in deze gebieden te nemen maatregelen. Als er in deze gebieden eerder kansrijke initiatieven van onderop of vanuit andere programma’s komen, gericht op het beperken van de bodemdaling en de CO2 uitstoot, dan zullen wij deze vanuit dit programma ondersteunen.
 

Acties:

  • We voeren pilots uit waarmee we ervaring opdoen met flexibel peilbeheer, gericht op een grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld. We hanteren hierbij de principes van ‘ Hoger als het kan, lager als het moet’ (HAKLAM).
  • Om de grondwaterstand te gebruiken als indicator voor het peilbeheer, gaan boeren en het waterschap meer meten aan grondwater. In 2020 is hiervoor het project ‘Boeren meten water’ opgestart. In dat verband werkt men ook aan het meten van het bodemvocht als tweede parameter naast de grondwaterstand.
  • In het verlengde daarvan gaat het waterschap onderzoeken in hoeverre de uitvoering van het peilbeheer door boeren kan plaatsvinden.
  • In gebiedsprocessen zullen we de mogelijkheden voor ander peilbeheer gezamenlijk in kaart brengen. De uitkomsten hiervan worden vastgelegd in een peilbesluit. We richten ons hierbij eerst op de 6 gebieden die genoemd zijn in programmalijn 4 en vervolgens op de rest van het gebied dat op kaart 6.1 is aangegeven als gebied met een veenpakket dikker dan 80 cm.

Figuur 6.1: Bovenstaande kaart toont de verschillende bodemtypes in het veenweidegebied